Interview · 8 oktober 2026

Schrijver Maddy Stolk over het Indische zwijgen in haar familie

De Heemsteedse schrijver Maddy Stolk (56) beschrijft in haar roman Waar wij altijd geweest zijn drie generaties vrouwen met een Indische achtergrond. Het boek komt voort uit onderzoek naar haar eigen moeder en oma, die zwegen over het Japanse interneringskamp, en naar het trauma dat van moeder op dochter werd doorgegeven.

Portret van schrijver Maddy Stolk in een bordeauxrode blouse, met donker gebladerte op de achtergrond

Als meisje wilde Maddy Stolk al een boek schrijven over haar ouderlijk huis en wat zich daar afspeelde. Het duurde tot haar drieënvijftigste voordat haar debuutroman Soedah, laat maar verscheen. Daarin beschrijft ze wat haar moeder, getraumatiseerd door een Japans interneringskamp, aanrichtte in het gezin dat ze zelf stichtte. Onbewust wachtte ze met schrijven tot haar moeder was overleden; negen maanden daarna was het boek af.

Nu is er het vervolg, Waar wij altijd geweest zijn. De roman vertelt in drie delen over Antoinette, Jetty en Tara. Antoinette vecht in voormalig Nederlands-Indië voor haar bestaan. Haar dochter Jetty brengt haar jeugd door in een Japans interneringskamp en vertrekt daarna gedwongen naar Nederland, waar haar dochter Tara wordt geboren. Tara is vastbesloten de keten van trauma's die van moeder op dochter wordt doorgegeven te verbreken.

Het Indische zwijgen

De aanleiding kwam van lezers van haar debuut, die meer wilden weten over haar moeder zelf. Maddy (56) had die informatie zelf niet: haar moeder vertelde niets, en haar oma ook niet. Het bekende Indische zwijgen; haar oma zat vaak in een soort catatonische staat voor zich uit te staren. Hoe waren deze vrouwen zo geworden? Ze ging op onderzoek uit.

Haar oma en moeder zaten in één van de meest gruwelijke interneringskampen, precies in de periode dat de beruchte Japanse Kenichi Sonei er kampcommandant was. Hij terroriseerde en martelde de vrouwen en is één van de weinige commandanten die naderhand wegens oorlogsmisdaden is geëxecuteerd. Haar moeder vond het moeilijk om warmte en liefde te tonen; alleen als Maddy ziek was, werd ze opeens bezorgd. In het kamp moesten zieke gevangenen naar de ziekenboeg, en velen kwamen nooit meer terug. Zodra Maddy beter was, werd haar moeder weer snoeihard. Klaagde ze over pijn, dan kreeg ze te horen dat zij niet in een jappenkamp had gezeten.

Doorgeefluik

Aanknopingspunten voor onderzoek waren er niet. Maddy vertelt dat ze daarom ging praten met iemand die haar in contact kon brengen met mensen die niet meer leven, een vermogen dat ze naar eigen zeggen als kind zelf al had. Met de sieraden van haar oma om liet ze de pen over het papier gaan en typte het onleesbare handschrift direct uit. Haar oma wilde graag vertellen; bij haar moeder voelde ze weerstand. Als klein meisje vond ze die gave vervelend en eng. "Er stonden hele volksstammen in mijn slaapkamer die verhalen aan me kwijt wilden", zegt Maddy Stolk. Haar Javaanse oma van vaders kant hielp haar om ze weg te sturen, al waarschuwde die dat ze er spijt van zou krijgen.

Thuis was het al ingewikkeld genoeg. Haar moeder was een hoarder: het huis stond vol stapels kranten en omgespoelde bakjes van de toko. Achteraf begrijpt Maddy dat goed. Haar familie raakte tot drie keer toe alles kwijt: bij het ingaan van het kamp, bij terugkomst in het door de Japanners leeggeroofde huis, en bij het gedwongen vertrek per boot naar Nederland. Haar moeder, die als kind in het kamp vreselijk honger had geleden, deed in Nederland niets meer weg, zeker geen eten. Als kind dacht Maddy soms dat haar moeder gek was; hoe meer onderzoek ze deed, hoe duidelijker werd dat die er eigenlijk niets aan kon doen. "Ik begrijp haar nu beter dan toen ze nog leefde", zegt ze. Vergeven hoefde ze haar niet: ze wist altijd al dat het gedrag niet voortkwam uit wie haar moeder werkelijk was. Je bevriest op de leeftijd waarop het trauma je overkomt, en haar moeder was ongeveer acht jaar oud toen ze het kamp in ging.

Zwijgen, opgelegd en eigen

Op de achterkant van haar debuut stond dat ze het Indische zwijgen zou doorbreken. Naïef, vindt ze nu, en er kwamen boze reacties van lezers. De eerste generatie Indische Nederlanders wilde juist graag vertellen, maar in Nederland was daar geen ruimte voor: bij jullie scheen tenminste de zon, kregen ze te horen, wij hadden honger. De overheid van een land in wederopbouw gaf liever geen geld uit aan de opvang van 300.000 Indische Nederlanders. Het zwijgen was dus deels opgelegd en deels aard: ouders wilden hun kinderen niet belasten met gruwelverhalen. Inmiddels is bekend dat zwijgen kinderen net zo goed belast. Haar eigen dochter mag haar alles vragen, en krijgt altijd een eerlijk antwoord.

Autofictie

De eerste twee delen van het boek zijn fictie, uit hoofd en hart, al denkt ze dicht bij de waarheid te zitten. Het derde deel, over Tara, is autofictie en gaat over haarzelf. Het boek gaat over transgenerationeel trauma, en in haar eigen leven ziet ze dat terug in haar keuzes rond mannen en werk. Een langdurige relatie lukt haar niet; ze is nu vrijgezel. Voor een baas werken kan ze niet, ze is haar hele leven freelancer. Haar ouders brachten haar een grote achterdocht bij tegen de Nederlandse overheid en hamerden op onafhankelijkheid. Tegelijk kan ze zichzelf goed onzichtbaar maken, iets wat ze van oma en moeder meekreeg: wie in het kamp opviel, moest dat met zijn leven bekopen.

Aan haar dochter wil ze het niet doorgeven: door zich ervan bewust te zijn, erover te praten en boeken te schrijven die ze haar laat lezen. Ze hoopt dat de geschiedenis van de Indische Nederlanders door het boek meer bekendheid krijgt en dat het zorgt voor meer heling binnen de Indische gemeenschap.

Waar wij altijd geweest zijn van Maddy Stolk, Ambo|Anthos uitgevers. Te verkrijgen bij elke boekhandel, € 23,99.

*Tekst: Meta van der Meijden. Fotografie: Marjolein ten Hove-Voster.*

Dit verhaal verscheen in HRLM 105, september-oktober 2026.

Zelf iets gezien of gehoord dat in HRLM thuishoort? Tip de redactie.